Geloof of feit: waarom de wetenschap achterblijft bij de stelligheid van de zorg

Wetenschapsjournalist Lisa Selin Davis zet in Skeptic Magazine de cijfers en de onafhankelijke evaluaties naast elkaar: het bewijs voor medische transitiezorg bij jongeren is zwakker dan de zekerheid waarmee die zorg wordt aangeboden.

Er zijn twee heel verschillende soorten uitspraken in het genderdebat, en ze worden voortdurend door elkaar gehaald. De ene is een ervaring: iemand voelt zich man, vrouw, geen van beide, of iets ertussenin. Die ervaring is niet te weerleggen en verdient serieuze aandacht. De andere is een empirische claim: dat medische interventie bij minderjarigen de aangewezen manier is om met die ervaring om te gaan. Die claim ís wél te toetsen — en volgens wetenschapsjournalist Lisa Selin Davis, die in Skeptic Magazine de stand van het bewijs op een rij zette, houdt ze bij toetsing nog geen stand.

Twee soorten uitspraken, twee soorten toetsing

Dit onderscheid is niet spitsvondig, het is de kern van wat informed consent betekent. Een behandelaar mag een subjectieve identiteitsbeleving niet ter discussie stellen, maar is wél verplicht een empirische effectiviteitsclaim aan bewijs te toetsen voordat hij ze aan een minderjarige voorlegt als basis voor een onomkeerbare beslissing. Davis laat zien dat die twee registers in de praktijk worden samengevoegd tot één ononderbroken zekerheid, terwijl alleen het eerste register die zekerheid verdient. "Genderidentiteit is een geloof, geen waarheid", schrijft ze — en juist daarom verdient de medische kant van het debat meer voorzichtigheid dan de huidige praktijk laat zien.

Drie landen, drie onafhankelijke onderzoeksteams, dezelfde conclusie

Het zwaarste argument in Davis' stuk is niet retorisch maar methodologisch. De Cass Review noemde de Britse pediatrische gendergeneeskunde in 2024 een gebied met "opmerkelijk zwak bewijs". Los daarvan kwamen systematische reviews uit Finland en Zweden, met eigen onderzoeksteams en op eigen momenten, tot vergelijkbare bevindingen over puberteitsremmers en hormonen. Wanneer drie onafhankelijke gezondheidsstelsels los van elkaar dezelfde conclusie trekken, wordt het steeds moeilijker die conclusie weg te zetten als een politiek standpunt van één land.

Een cijfer dat geen van beide kanten goed uitkomt

Davis citeert een vervolgonderzoek onder 314 patiënten die een medische transitie doorliepen: twee van hen pleegden suïcide. Een klein cijfer, moeilijk te veralgemenen, maar veelzeggend voor hoe dit debat cijfers gebruikt. Het weerlegt zowel de claim dat transitiezorg zelfmoord voorkomt, als de claim dat ze het risico vergroot — en wordt daarom door geen van beide kampen graag aangehaald. Cijfers die niemands positie bevestigen, verdwijnen opvallend snel uit het debat, terwijl juist zij het meest zeggen over hoe weinig hier eigenlijk vaststaat.

Wat dit betekent voor informed consent

Als de wetenschappelijke basis voor medische interventie bij jongeren zwakker is dan de stelligheid waarmee ze wordt aangeboden, staat niet alleen de behandeling zelf ter discussie, maar ook de manier waarop toestemming wordt gevraagd. Een jongere en zijn ouders die te horen krijgen dat "de wetenschap duidelijk is", terwijl drie onafhankelijke evaluaties het tegendeel concluderen, krijgen niet de informatie waarop geïnformeerde toestemming hoort te rusten. Dat is precies het punt waar Davis' analyse en de ethische vraag samenkomen: niet of iemands identiteit klopt, maar of de belofte die aan die identiteit wordt verbonden waargemaakt kan worden.