Essay · Diagnostiek
Onvrede met je geslacht kan komen én gaan
Vóór de vraag of het bewijs voor puberteitsremmers sterk genoeg is, ligt een diepere vraag: wat behandelen we eigenlijk? Het begrippenkader bepaalt de zorg — en daarin schuilt een aanname die een kind niet vanzelfsprekend dient.
Op 30 juni 2026 brengt de Gezondheidsraad advies uit over wat officieel 'transgenderzorg voor jongeren' heet. Dertig jaar nadat Nederland met het Dutch Protocol internationaal de toon zette, staat de bewijsbasis onder druk. Systematische reviews vinden onvoldoende betrouwbaar bewijs dat de verwachte voordelen van puberteitsremmers en geslachtshormonen bij minderjarigen opwegen tegen de onzekerheden en risico's — gevolgen die ingrijpend en vaak onomkeerbaar zijn. Maar de bewijsvraag laat zich niet losmaken van een vraag die eraan voorafgaat: wat behandelen we eigenlijk?
Het begrippenkader is geen detail
In de toelichting bij het adviestraject spreekt de Raad al over 'transgender kinderen en jongeren'. Dat is gangbaar taalgebruik, maar het draagt een aanname. Is een jongere met genderdysforie iemand met een vaste, innerlijke genderidentiteit die bevestigd moet worden? Of gaat het om onbehagen rond lichaam, seksuele oriëntatie en maatschappelijke verwachtingen, waarvan oorsprong, betekenis en ontwikkeling nog open liggen? Die keuze bepaalt hoe onderzoek wordt gelezen, hoe diagnoses worden gesteld en welke zorg een kind krijgt.
'Genderidentiteit' is geen vaststaand medisch gegeven, maar wordt wel steeds vaker het uitgangspunt in richtlijnen, opleidingen, media en beleid. Daardoor klinkt psychologische verkenning, brede diagnostiek of afwachten al snel als uitstel van zorg of als ontkenning van het kind — terwijl het juist zorgvuldige hulp kan zijn. De nood van een jongere serieus nemen is iets anders dan één verklaring en één behandeling vanzelfsprekend maken.
Onbehagen dat verschuift
Juist tijdens de puberteit krijgen veel jongeren meer duidelijkheid over lichaam, seksualiteit en seksuele oriëntatie. Een longitudinale studie uit het Groningse TRAILS-cohort laat zien waarom voorzichtigheid geboden is: gevoelens van onvrede met het eigen geslacht kwamen in de vroege adolescentie relatief vaak voor, maar namen bij een aanzienlijk deel van de jongeren later weer af. Wie zulk onbehagen te snel als een vaste genderidentiteit leest, neemt een risico dat uiteindelijk bij het kind terechtkomt.
Een veranderde patiëntengroep
Het Dutch Protocol werd ontwikkeld voor een kleine, zorgvuldig geselecteerde groep jongeren met vroege, persistente genderdysforie en relatief weinig bijkomende problemen. Die groep bestaat zo niet meer. Er melden zich veel meer jongeren bij genderklinieken, met een opvallende toename van meisjes bij wie de dysforie rond of na de puberteit ontstaat en vaak samengaat met psychische of neuro-ontwikkelingsproblematiek. Conclusies uit de oorspronkelijke groep doortrekken naar deze bredere en complexere populatie is wetenschappelijk onverantwoord — te meer omdat zelfs voor die oorspronkelijke groep robuust bewijs ontbreekt dat het medische traject de geestelijke gezondheid structureel verbetert. Een recente analyse van dertig jaar Dutch Protocol-onderzoek concludeert dat de effectiviteit niet betrouwbaar is aangetoond: de groepen waren klein, de uitkomstmaten verschilden, de succescriteria verschoven.
De 'pauzeknop' is meestal geen pauze
De eerste medische stap is minder vrijblijvend dan vaak wordt voorgesteld: vrijwel alle jongeren die met puberteitsremmers beginnen, gaan daarna door naar hormonen van het andere geslacht. De remmer is daardoor meestal niet een neutrale pauze, maar het begin van een ingrijpend en onomkeerbaar traject.
Een internationale correctie
Andere landen trokken inmiddels hardere conclusies. In het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Finland en Noorwegen leidden systematische reviews en beoordelingen door gezondheidsautoriteiten tot een duidelijke koerswijziging: medische interventies bij minderjarigen werden beperkt, brede diagnostiek en psychologische begeleiding kwamen centraal te staan. Ook in de Verenigde Staten wordt het bewijs steeds kritischer beoordeeld. Nederland, dat de route bedacht én legitimeerde, kan die correctie niet blijven negeren.
Wat de Gezondheidsraad zichtbaar moet maken
De Raad moet daarom verder gaan dan de vraag of het bewijs voor puberteitsremmers en hormonen sterk genoeg is. Hij moet ook de aannames zichtbaar maken die aan het Dutch Protocol ten grondslag liggen. Genderdysforie bij jongeren kan meerdere verklaringen hebben; dan volstaat het niet om alleen medische uitkomsten te onderzoeken. Welke alternatieve trajecten zijn meegewogen? Welke jongeren ontwikkelen zich zonder medicalisering anders? En wie heeft werkelijk baat bij een ingrijpend medisch traject? Wie zo'n behandelmodel aan de wereld levert, moet ook het bewijs leveren dat daarbij hoort. Schiet dat na dertig jaar tekort, dan mag de onzekerheid niet bij het kind worden neergelegd.
Bron
Bewerkt naar het ingezonden opiniestuk 'Onvrede met je geslacht kan komen én gaan', de Volkskrant, 25 juni 2026. Ondertekenaars: Ruben Buijs (arts, klinisch patholoog), Geert-Jan Edelenbosch (publicist, oud-coördinator COC Nederland), Armand Girbes (internist-intensivist, emeritus hoogleraar intensivecaregeneeskunde), Marieke Hoogwout (redacteur Vrij Links), Hacsi Horváth (klinisch epidemioloog, ervaringsdeskundige na het stoppen van een transitie), Maureen Horváth (medisch bioloog), Hanneke Kouwenberg (arts, radioloog), Pieter Omtzigt (econometrist, oud-Tweede Kamerlid), Marieke den Ouden (psycholoog, bioloog), Roelien den Ouden (GZ-psycholoog, orthopedagoog) en Dorine Sellenraad (klinisch psycholoog, oud-medewerker genderkliniek VUmc).