Verdrag
Ouderlijk gezag — VRK en Burgerlijk Wetboek
VRK art. 5 en 18; BW Boek 1, art. 247.
De juridische basis voor ouderlijke verantwoordelijkheid ligt verankerd in zowel het internationale recht als het Nederlandse recht. Artikel 18 van het VN-Kinderrechtenverdrag (VRK) bepaalt dat beide ouders de eerste verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind, waarbij het belang van het kind hun voornaamste zorg is. Staten zijn gehouden dit beginsel te erkennen en ouders daarin te ondersteunen.
Artikel 5 VRK voegt daar het begrip van de zich ontwikkelende vermogens van het kind aan toe: ouders hebben het recht en de plicht hun kind passende leiding en begeleiding te geven bij het uitoefenen van zijn rechten, op een wijze die aansluit bij de groeiende rijpheid van het kind. Het verdrag plaatst de ouder dus als gids die meegroeit met de ontwikkeling, niet als buitenstaander.
In het Nederlandse recht is dit uitgewerkt in Boek 1, artikel 247 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin staat dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat om het kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding vallen onder meer de zorg voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De ouder met gezag is wettelijk de eerstverantwoordelijke.
Voor het debat over genderzorg bij minderjarigen is dit kader bepalend. Onomkeerbare medische ingrepen en sociale transitie raken het lichamelijk en geestelijk welzijn van het kind — precies het terrein waarvoor de wet ouders verantwoordelijk maakt. Wie ouders buiten besluiten over puberteitsremming, hormonen of transitie op school houdt, gaat voorbij aan een verantwoordelijkheid die zowel het VRK als het Burgerlijk Wetboek nadrukkelijk bij hen leggen.